Inleiding.
De recent gepubliceerde norm ISO 10218-1:2025, samen met ISO 10218-2:2025, vormt het fundament voor de veiligheid van industriële robots en robotsystemen. Deze herzieningen versterken het veiligheidskader door een duidelijke en gestructureerde aanpak van de noodzakelijke veiligheidsfuncties.
Een opvallende wijziging is de introductie van een nieuwe onderverdeling van veiligheidsfuncties in drie categorieën: verplicht (required), optioneel (optional) en conditioneel (conditional). Dit biedt ontwerpers, integratoren en gebruikers meer helderheid en flexibiliteit bij het implementeren van veiligheidssystemen.
Overzicht van veiligheidsfuncties in ISO 10218-1:2025 en ISO 10218-2.
ISO 10218-1:2025 richt zich vooral op de veiligheidseisen voor het ontwerp van industriële robots zelf. Hierbij worden functies beschreven die de robot in staat stellen veilig te functioneren en de risico’s voor de mens te beperken. ISO 10218-2 vult dit aan met de veiligheidseisen voor het gehele robotsysteem, inclusief de integratie, besturing en de interactie met de omgeving.
De veiligheidsfuncties die in deze normen worden benoemd, bestrijken een breed spectrum:
Deze functies zijn erop gericht om risico’s zoals botsingen, beknellingen en overbelasting te voorkomen.
Nieuwe onderverdeling van veiligheidsfuncties: Required, Optional, Conditional
Wat de nieuwe ISO 10218-1:2025 en 10218-2 duidelijk maakt, is dat niet alle veiligheidsfuncties in elke toepassing verplicht zijn. De normen introduceren daarom een indeling in drie categorieën:
Waarom deze nieuwe categorisering?
Door veiligheidsfuncties in categorieën te plaatsen, ontstaat meer flexibiliteit in het ontwerp van robotsystemen. Niet elke functie is in elke situatie nodig, en deze aanpak voorkomt ‘over-engineering’ en onnodige kosten. Tegelijkertijd zorgt het ervoor dat de essentiële functies altijd en overal aanwezig zijn.
De categorisering helpt ook om beter te kunnen inspelen op innovaties, zoals collaboratieve robots, mobiele robots of robotarmen met geïntegreerde kracht- en snelheidsbegrenzing. Door conditionele functies te koppelen aan de risico’s van de toepassing, sluit de norm beter aan bij de praktijk.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Ontwerpers en integratoren krijgen met deze nieuwe normen een duidelijker kader om veiligheidsfuncties te selecteren en te implementeren. De risicobeoordeling blijft uiteraard cruciaal: op basis van de specifieke taak, werkomgeving en interactie met mensen wordt bepaald welke functies verplicht, conditioneel of optioneel zijn.
Dit resulteert in robotsystemen die niet alleen veilig zijn, maar ook efficiënter en beter afgestemd op hun toepassing. Gebruikers profiteren van systemen die voldoen aan de hoogste veiligheidsstandaarden, zonder overbodige complexiteit.